Column: Het kind centraal

door Stella (Pleegouderraad Haaglanden)

Na zes weken heen- en weer mailen zit ik er dan: een gesprekskamer van de voogdijinstelling. Terwijl er koffie wordt gehaald neem ik de kamer in me op. Dus hier worden die moeilijke gesprekken gevoerd. Het ziet er fris en trendy uit. Een ronde tafel zodat je nooit echt “tegenover” elkaar komt te zitten, en een veel te grote lamp daarboven, om je te herinneren dat er heel wat boven je hoofd hangt? “Daar is vast over nagedacht” mompel ik.

En dan komt er een meneer met de koffie. Hij is de leidinggevende van de voogd van de pleegbaby; onze laatste plaatsing. Ik overweeg al een tijdje om een klacht in te dienen over de voogd. Voordat ik dat doe wil ik weten wat het beleid is van deze voogdijinstelling. Verwacht men van voogden dat ze rekening houden met de emotionele impact op alle inwonende kinderen van het pleeggezin wanneer een pleegkind wordt teruggeplaatst? 

Mijn dochter was namelijk twee jaar oud toen de baby bij ons kwam en heeft de baby 8 maanden in haar leventje gehad. Ik wou dat ze de kans zou krijgen om te begrijpen waar de baby ging wonen. Daarnaast vond ik het wonderlijk dat een voogd basiseisen stelt waaraan voldaan moet worden om de baby terug te plaatsen, maar vervolgens zichzelf niet houdt aan die basiseisen. Ik wil weten of de leidinggevende dat verantwoord vindt. Zou een gesprek genoeg zijn? 

Demotiverend

Als lid van de Pleegouderraad Haaglanden voel ik me, behalve boos en teleurgesteld naar aanleiding van onze laatste plaatsing, ook verantwoordelijk om aan te geven hoe de werkwijze van sommige voogden een pleegouder kunnen demotiveren en tot wanhoop drijven. Onze voogd was destijds een aardig mens en we hadden gedurende de plaatsing een prettig en zeer openhartig contact. Alleen aan het einde, toen er eenmaal een datum voor de terugplaatsing was bepaald, veranderde dat. 

Het gesprek begint zo: 

Hij: “Ik heb hier een vel papier en een pen, ik breng namelijk graag de plaatsing en ieders rol daarin in kaart”.

Ik: “Uh... Ok?”

Hij: “En dan begin ik graag met het kind centraááááál te plaatsen” (tekent een cirkel). 

Ik: “Uh... Ok?”

Hij: “En dan nu, … hoe heet het?”

Ik: “Pardon?”

Hij: “Hoe heet het kind?”

Ik: “… wacht even”.. (ik neem een slok koffie en tel in mijn hoofd tot drie). “Begrijp ik goed dat u, navraag hebt gedaan bij de voogd en 6 weken de tijd hebt gehad om u voor te bereiden op mijn twee vragen, dat u nu de naam van het kind niet weet?”

Hij: “…. Ehm… ja, ik begin graag zo blanco mogelijk aan een gesprek”. 

Ik: “………Nou…dat is dan gelukt!”

Hij: “Ehm.. welke twee vragen bedoelt u eigenlijk?”

Ik: “…………….”

Het werd een heel vreemd gesprek. Er zat iemand tegenover me die duidelijk enorm zijn best doet om de juiste dingen te zeggen maar mijn vertrouwen gleed meer en meer in een spreekwoordelijk afvoerputje.  

Want - ziet u - voor een pleegouder betekent “het kind centraal”, niet: op papier, in een cirkeltje, zonder naam. En het belang van het kind dat achterblijft in het pleeggezin mag ook niet vergeten worden. Daar ben ik geheel niet blanco over.

Stella Paape

PS: Gelukkig hadden (en hebben) de moeder van de baby en ik een goed contact. Ik heb buiten de voogd - en haar terugplaatsingsschema - om er zelf voor gezorgd dat het precies ging voor mijn dochter zoals ik wou. Maar ik heb absoluut twijfels over een volgende plaatsing door deze ervaring.

Stella is lid van onze pleegouderraad. Meer weten over de Pleegouderraad?