De bouwstenen van Truus bakker
Truus Bakker-van Zeil, psychotherapeut en orthopedagoog heeft een het Bouwstenenmodel ontwikkeld dat laat zien hoe in een gezonde hechtingsrelatie de vijf bouwstenen van sociaal-emotionele ontwikkeling worden gevormd, maar ook wat het effect is van als er iets daarin mis gaat:
Op elke leeftijd heeft een kind iets anders nodig om zich goed te kunnen ontwikkelen. In elke leeftijdsfase ‘leert’ een kind dingen van zijn opvoeders. Er wordt dan een basis gelegd voor de volgende fase. Deze basis is als een bouwsteen. Als een bouwsteen niet optimaal ontwikkeld is, heeft dat invloed op de rest van de ontwikkeling van het kind. De eerste bouwsteen is dat het kind basisveiligheid ervaart, pas dan ontwikkelt het kind als tweede bouwsteen het vertrouwen in de opvoeder.
De derde, vierde en vijfde bouwsteen ontstaan pas als het kind basisveiligheid en het vertrouwen in de opvoeder ervaart. Het kind krijgt dan pas het zelfvertrouwen om zich zelfstandig te kunnen ontwikkelen. Het kind heeft dan de basis om met anderen een relatie op de bouwen en te onderhouden. Om met anderen samen te kunnen werken is het nodig om bv problemen op te kunnen lossen, dit vraagt creativiteit
Basisveiligheid
In de eerste 3 maanden is de eerste behoefte van een baby om zich veilig te voelen. De baby heeft dan vooral bescherming en verzorging nodig. Een kind heeft het nodig dat er wordt voorzien in zijn basisbehoeften.
Als de opvoeder bescherming en verzorging biedt, ontwikkelt het kind het vertrouwen in de opvoeders. Van de opvoeder wordt verwacht dat het zijn eigen behoeften ondergeschikt maakt aan de behoeften van het kind. Het kind moet het vertrouwen krijgen dat opvoeders reageren als het nodig is. Als een kind geen basisveiligheid ervaart, ontstaat er angst bij het kind.
Toevertrouwen
Tussen de 3 en 9 maanden gaat het kind ervaren dat er emoties zijn. Van de opvoeder wordt verwacht, dat er liefdevol wordt gereageerd op de emoties die het kind heeft. Het is de basis om het kind te leren dat er verschillende emoties zijn. Van een opvoeder wordt verwacht dat het ziet, meeleeft en benoemt als het kind een emotie laat zien. Door het zien en meeleven durf het kind zich toe te vertrouwen aan de opvoeder. Door het benoemen van de emotie, leert het kind welke lichaamssignalen er zijn als het een emotie voelt.
Als een opvoeder niet (gepast) reageert op emoties van het kind, leert het kind niet om emoties juist te voelen. Als een kind emoties niet echt kan voelen en benoemen, weet het niet hoe het later emoties kan beheersen (emotieregulatie).
Zelfvertrouwen
Vanaf 9 maanden tot 2,5 jaar wordt de basis gelegd voor het beheersen van emoties. Het kind leert na te denken over eigen en andermans gedrag en gevoelens. Het kind leert wat het kan doen als het zich niet prettig voelt, bv duim in de mond. Als een opvoeder het kind bv wiegt als het gestrest is, ervaart het kind dat het hierdoor rustig kan worden.
Het kind voelt de behoefte om te gaan ontdekken. Het vraagt van de opvoeder om het ontdekken te stimuleren én er te zijn voor het kind als het nodig is (meer informatie) (moet doorlinken naar cirkel van veiligheid).
In deze ontwikkelingsfase wordt van de opvoeder verwacht, dat er grenzen worden gesteld. Het kind gaat ervaren dat er niet (meteen) wordt mee gegaan wat een kind wil.
4 Zelfstandigheid
Tussen de 2,5 en 5 jaar gaat het kind ervaren dat het een eigen individu is. Het kind gaat ervaren dat het eigen behoeften heeft en dingen zelfstandig kan.
Van de opvoeder wordt verwacht dat het kind de ruimte ervaart om dingen zelfstandig te doen én terug kan vallen op de opvoeder. Dit vraagt van de opvoeder geduld en duidelijkheid.
Van de opvoeder wordt verwacht het vertrouwen en ruimte te geven om te ontdekken. Als de opvoeder (uit angst) te voorzichtig is en het kind niet de ruimte geeft, ontstaat er machteloosheid bij het kind.
In deze ontwikkelingsfase wordt de basis gelegd voor inlevingsvermogen en gewetensvorming. Van de opvoeder wordt verwacht duidelijke grenzen te stellen. Het leren beheersen van impulsen en van boosheid komt op gang. Een kind kan pas luisteren naar de gestelde grenzen en zich aan regels houden als het basisveiligheid en liefde heeft ervaren (bouwsteen 1 en 2).
5 Creativiteit
Tussen de 5 en 7 jaar gaat een kind ervaren dat het zelf op een creatieve manier problemen kan oplossen. Van de opvoeder wordt verwacht dat het kind het vertrouwen en de ruimte krijgt om problemen op te lossen. Het kind moet hierbij wel het gevoel hebben om terug te kunnen vallen op de opvoeder. Het kind ervaart hierdoor vertrouwen in zichzelf. Als de opvoeder vanuit angst het kind niet de ruimte geeft, ontstaat een gevoel van machteloosheid bij het kind.
In de eerste zes jaar wordt de basis gelegd om te leren mentaliseren. Mentaliseren is het nadenken over het gevoel, de gedachten en gedrag van zichzelf én dat van anderen. Een kind moet eerst zijn eigen emoties, gedachten en gedrag begrijpen. Pas als een kind dat heeft geleerd , kan het emoties, gedachten en gedrag van anderen begrijpen. Het kind kan dan het eigen aandeel in situaties zien. Mentaliseren is nodig om zich in te kunnen leven in anderen.
Kinderen met hechtingsproblemen hebben niet geleerd om te mentaliseren.
*Bakker-van Zeil, Hechting in diagnostiek en behandeling 2005